Beleid

Niet je hele lange leven met je voetjes op de grond,
beetje dromen, beetje zweven, lijkt me ook niet ongezond..

Toon Hermans

Bij Jottum! Kinderdagverblijf werken wij met een beleidsplan. In het beleidsplan staan veel uiteenlopende dingen omschreven. Allereerst de bedrijfsstructuur, welke groepen zijn er bij Jottum! en hoe zijn de leeftijden binnen de groepen. Er wordt uitgelegd wat onze uitgangspunten ten opzichte van kinderen zijn, wat wij  kinderen willen meegeven.
Daarnaast is het een “handboek” voor de pedagogisch medewerkers omdat het uitleg geeft over bijvoorbeeld; het opwarmen van flesjes voor baby’s, het bewaren van borstvoeding, zindelijkheidstraining, veiligheid in en om het pand, inbakeren van baby’s,  kinderen die bijten, het wennen bij een kinderdagverblijf en nog veel meer.

De volgende uitgangspunten gelden als basis voor het pedagogisch beleid

De opvoeding is gericht op de ontplooiing van een kind tot een zelfstandig, creatief en kritisch persoon. En de opvoeding is gericht op het aanleren van sociale vaardigheden.

Ieder kind heeft recht om onvoorwaardelijk geaccepteerd te worden. Gevoelens dienen serieus genomen te worden, hoewel het noodzakelijk is bepaald gedrag te verbieden. Ieder kind heeft recht op respect en moet ruimte krijgen om zich op zijn eigen manier te ontwikkelen. In het kinderdagverblijf mag geen verbaal of fysiek geweld worden gebruikt.

Ieder kind heeft basisbehoeften. Basisbehoeften zijn o.a.: voeding, slaap, aandacht en genegenheid. Er wordt naar gestreefd zoveel mogelijk aan deze behoeften te voldoen.

Het is belangrijk dat een kind zich veilig en geborgen voelt. Een kind moet bekend zijn met de plaats en de manier van opvang.

Een kind heeft recht op individuele aandacht en zorg waarbij tevens rekening gehouden moet worden met het belang van de groep als geheel. Het individu mag niet lijden onder de groep, maar de groep mag ook niet lijden onder het individu.

Creëren van ontwikkelingsmogelijkheden

In de eerste 4 jaar van het leven ontwikkelt een kind zich van hulpeloze baby tot een dreumes, peuter en schoolkind. Een kind dat, als de ontwikkeling voorspoedig verlopen is, met zelfvertrouwen de wereld tegemoet treedt en zich aardig kan redden. De eerste jaren worden algemeen beschouwd als een cruciale periode voor de ontwikkeling van het kind op veel gebieden.

De ontwikkeling van kinderen verloopt niet bij elk kind op dezelfde wijze. Ieder kind heeft een eigen tempo en kent bepaalde gebieden waarop het zich meer of juist minder ontwikkelt. Ook heeft ieder kind op veel gebieden een scala aan mogelijkheden in zich. Het tempo waarop die mogelijkheden worden gerealiseerd wordt bepaald door de situatie waarin het kind opgroeit en de mensen die het kind omringen. De kinderopvang levert hieraan een belangrijke bijdrage. Een belangrijke functie in het dagverblijf is het signaleren van ontwikkelingsproblemen.

De situatie in het dagverblijf is erop gericht om kinderen in een veilige en prettige omgeving de dag te laten doorbrengen. Hierbij wordt zowel in groepsverband als individueel bewust aangesloten op de ontwikkelingsfase waarin het kind zich bevindt.

Respect hebben voor de autonomie van een kind is erg belangrijk. Als pedagogisch medewerker is het belangrijk om een kind in zijn proces naar zelfstandigheid te begeleiden.

Wat is autonomie?
Autonomie gaat over zelfbeschikking. Auto is zelf, nomos is wet. Autonomie betekent dan ook dat je zelf nadenkt en beslist en niet wacht tot een ander het voor je beslist. Ieder mens moet zijn eigen daden plegen en moet voor die daden zelf verantwoordelijk zijn.

Wat houdt autonoom zijn in?
Autonomie is het vermogen om zelf dingen te doen. Dat autonomie een menselijke behoefte is, wordt al heel vroeg duidelijk: een baby grijpt naar zijn knuffel, kruipt rond, probeert iets te pakken, maakt zijn eerste stapjes. Rond drie jaar begint een kind zich te manifesteren door opstandig te zijn en dingen te zeggen zoals ‘nee’ of ‘zelf doen’. Hoe groter het kind wordt, hoe meer vrijheid het zal verwerven: het zal zelf zijn kleren kiezen, zelf zijn boekentas dragen, zakgeld krijgen, uitgaan, etc. Autonoom worden geeft niet alleen vrijheid, maar beantwoordt ook aan een reële behoefte: die om niet van anderen afhankelijk te zijn.

In de opvoeding is een coachende houding vaak het meest positief. Als een kind wordt gestimuleerd over problemen eerst zelf kritisch na te denken hoe het de taak zou oplossen of zelf op onderzoek uit kan gaan, zal het trotser zijn bij succes. Ook zal het kind een volgende keer eerder geneigd zijn zelfstandig iets te proberen. Het kind stelt zich uiteindelijk minder hulpbehoevend op.

Baby’s

Baby’s zijn afhankelijk van de zorg van volwassenen. Daarom zijn de pedagogisch medewerkers er om het kind veel ruimte te geven voor autonomie en om de initiatieven van het kind te volgen. Bijvoorbeeld, de baby niet zomaar oppakken van de grond maar eerst oogcontact maken, praten en vertellen wat je gaat doen. Hierdoor krijgt de baby op zijn niveau controle over de situatie; dit is een basis voor verdere positieve ervaringen. Zo kan er een wederkerige communicatie tussen baby en pedagogisch medewerker ontstaan en een balans tussen autonomie en afhankelijkheid die past bij baby’s.

Dreumesen

Dreumesen willen veel zelf doen en zijn tegelijkertijd nog sterk emotioneel afhankelijk van de pedagogisch medewerkers. Ze worden soms heen en weer geslingerd tussen afstoten en nabijheid claimen. Pedagogisch medewerkers kunnen dit emotionele conflict oplossen door bijvoorbeeld de dreumesen vrij te laten spelen en zelf beschikbaar te blijven via oogcontact. Door even naar de pedagogisch medewerkers te kijken kan de dreumes zijn of haar behoefte aan afhankelijkheid bevredigen en verder spelen en ontdekken.

Peuters

Peuters kunnen enige tijd zelfstandig spelen. Als ze de pedagogisch medewerker nodig hebben, zoeken ze vaak zelf contact. Maar peuters ontdekken een nieuwe vorm van afhankelijkheid: van andere kinderen. Ze ontdekken dat andere kinderen niet met je willen spelen als je geen rekening met hen houdt; dat je moet proberen anderen ter wille te zijn, dat soms de wet van de sterkste geldt. Peuters zijn meer autonoom in relatie tot de pedagogisch medewerkers, maar als ze willen samenspelen zijn ze afhankelijker van de regels van het kinderspel. Soms hebben ze hulp nodig van de pedagogisch medewerker bij het leren samenspelen met andere kinderen.